© Rick Huijzer
Als haar vader belt dat het niet goed gaat met haar moeder, twijfelt ambulanceverpleegkundige Katja geen moment. “Ik heb gezegd: bel 112. Wij rijden er alvast heen.” Niet veel later staat ze niet tegenover zomaar een patiënt, maar tegenover haar eigen moeder. Ze blijkt een hartinfarct te hebben. “Ik kon de knop omzetten”, vertelt ze.
Onderweg heeft Katja al een afspraak gemaakt met haar collega. “Als jij denkt dat ik het niet goed doe, wil ik dat je extra collega’s vraagt.” Maar zodra ze bij haar moeder aankomt, neemt haar professionele routine het over. “Ik zag haar echt als mijn patiënt. Dat rationeel handelen zit zo in je systeem.”
Haar moeder is bij kennis en wordt naar het ziekenhuis gebracht. “Voor haar was het fijn dat ze een bekend gezicht had toen dit allemaal gebeurde. Voor haar voelt het alsof ik haar heb gered.” Katja is vooral blij dat ze zelf voor haar moeder kon zorgen. “Mijn collega was heel lief. Daardoor kon ik van A tot Z bij mijn moeder zijn.”
Pas toen alles achter de rug was, kwam het besef dat dit geen gewone patiënt was. “Ik vond het mooi om te zien dat je op zo’n moment je gevoel blijkbaar even opzij kunt zetten. Ik ben blij dat ik het zelf heb gedaan en er voor haar kon zijn. Dit kan dus gebeuren als je werkt in de regio waar je ook woont.”
Niet rennen
“De meldkamer zit in Rotterdam-Noord, maar ik kan zomaar naar Schiedam, Brielle of Barendrecht moeten”, vertelt Katja. Waar ze naartoe moet, ziet ze zodra een nieuwe melding binnenkomt. “We hebben een pieper bij ons en in de ambulance zit een scherm. Daarop staat waar we heen moeten en wat de melding is.”