
Het Openbaar Ministerie (OM) gaat in beroep in de zaak over de dodelijke aanrijding van Tamar (14) uit Marken. Het meisje werd in 2020 aangereden in Zuiderwoude. Het OM ziet in het vonnis “aanknopingspunten om in beroep te gaan”.
De rechtbank in Haarlem stelde eerder deze maand dat overtuigend bewijs ontbrak tegen de 33-jarige Jamal T. en ging daarom niet mee in de eis van acht weken celstraf van het OM.
Er was niet genoeg bewijs dat T. onvoldoende op de weg had gelet doordat hij zich liet afleiden door de navigatie op zijn telefoon. Volgens de rechter had hij mogelijk 2,5 seconden niet op de weg gelet en dat vond de rechtbank niet ‘”aanmerkelijk onvoorzichtig”. Bovendien hoefde hij geen persoon op de weg te verwachten.
De rechtbank sprak T. ook vrij van doorrijden na een ongeval zonder zich te bekommeren om het slachtoffer. De verdachte dacht immers dat hij over een dier was gereden.
De officier van justitie vindt dat de bestuurder op de bovengenoemde punten is tekortgeschoten. “Het OM vindt het daarom belangrijk de zaak voor te leggen aan het gerechtshof”, staat in een verklaring. De nabestaanden zijn ervan op de hoogte gesteld en zijn “voorzichtig opgelucht”, zegt advocaat Sébas Diekstra tegen persbureau ANP.
Met het hoger beroep “bestaat er nog een kans dat de zaak opnieuw en zorgvuldig wordt beoordeeld”, gaat de advocaat verder. “De nabestaanden hopen dat er nu eindelijk écht grondig onderzoek wordt gedaan naar alle feiten en omstandigheden, dat de waarheid boven water komt en dat leugens worden ontmaskerd. Uiteindelijk hopen zij vooral op één ding: gerechtigheid voor Tamar.”
Eerder zeiden officieren van justitie dat ze ervan uitgingen dat Tamar al op de weg lag toen ze werd overreden. Maar het is niet bekend hoe ze op de weg is terechtgekomen.
De omstandigheden waaronder haar lichaam werd gevonden riepen ook vragen op. Het is niet bekend of Tamar is versleept en wie dat eventueel heeft gedaan. Het zou kunnen dat het meisje met haar laatste krachten zelf naar de berm is gekropen.
Het OM stelt dat het “niet aannemelijk is dat deze vragen tijdens het hoger beroep wél beantwoord zullen worden”.