
Of we ook foto’s gaan nemen, vraagt Eddy Planckaert. “Want anders doe ik een T-shirt aan.” We stellen hem gerust. De foto’s zijn voor straks. Hij mag nog even in zijn blote bast blijven zitten. Op de achtergrond loopt schoonzoon Christopher intussen met een werktuig dat uw gezant niet meteen kan thuisbrengen Chateau de Neureux in. Even later zal kleinzoon Mageno op een koersfiets passeren. Aan de achterzijde van het enige Franse kasteel met een eigen reality serie slingeren verder een kruiwagen, oude balken en paletten met bouwmateriaal rond. En ook de kasteelheer zelf. Hij drinkt koffie en spuitwater.

Voor de minder trouwe kijkers: de renovatiewerken naderen stilaan hun voltooiing?
“Eind augustus komen de eerste gasten. Ik zou zeggen: ik geef een rondleiding. Ge moogt alleen geen foto’s pakken. Dat houden we voor tv. Juist den hof moet nog aangelegd worden. Maar na vijf jaar renoveren durf ik zeggen dat het af is. Wat zeg ik: het is meer dan af. Wat hier gebeurd is, is niet normaal.”
Van ruïne naar luxekasteel?
“Het is compleet nieuw. Meestal ruikt een gerenoveerd kasteel nog naar oud. Dat zit in de muren, in het behang. Hier is niks nog oud. Airco, lift erin, een gigantische keuken met het beste koffiemachine, overal dubbel glas. Kun je je dat voorstellen in zo’n gebouw? Ik ben supercontent. Supertrots ook. Ik had zelf nooit gedacht dat het zo ging worden. Het is alsof je naar de Ronde van Frankrijk vertrekt om de groene trui te winnen en drie weken later met de gele trui naar huis komt. Het overtreft alles. De kroon op het werk, noem ik het. Een relikwie voor de familie. Wie had kunnen peizen dat ik dit ooit nog zou meemaken. Een splinternieuw kasteel, verdomme.”
Zelf zit je hier ook nog elke dag te kappen en te breken?
“Niet meer. In het begin heb ik van alles gedaan. Maar zo’n jaar geleden hebben de kinderen gezegd: Planchard¸ zou je niet beter genieten van het leven? Ze hebben gelijk. Ik word 68 dit jaar, Christa 69. Hadden ze me laten doen. Ik zou nog altijd van ’s morgens tot ’s avond in dat kasteel zitten. En die gasten doen dat beter dan ik. Ik zou de Tour nog rijden met een velo van 7.000 euro. Ze hebben allemaal fietsen van 18.000 euro. Versta je? Ze hebben hun eigen gedacht en dat is goed. Nu hou ik me alleen nog buiten bezig, met mijn bossen. Werk genoeg. Al eens rondgekeken? Hier ligt vijftig hectare bos rond. Met een wandelpad van zeven kilometer, allemaal op mijnen hof.”
Klaar om vanaf augustus de gasten te entertainen?
(knikt) “Dat blijft het systeem natuurlijk. Wie hier komt slapen, krijgt er De Planckaerts bij. Eddy is Eddy en Eddy blijft Eddy. Den ouwe gaat hier niet rondlopen in een schoon wit hemd met een plastron. Al vind ik het zelf soms raar. Ik heb soms het gevoel dat ik een stripboek leef. Ze verwachten altijd Eddy de zotte. Eddy de geestige. Maar Eddy is ook maar een gewone mens. En wat ik ook raar vind: mijn familie. Kinderen, schoonkinderen, kleinkinderen, het lief van die kleinkinderen. Toch past dat dat allemaal bij elkaar. Ik kan er zelf niet aan uit. Ge hebt sektes, maar daar plegen ze op de duur allemaal zelfmoord. Ge hebt communes, maar die overleven niet omdat er ene de baas wil spelen. En dan heb je de Planckaerts. Waar wel alles werkt. Dat is toch een wonder?”
Hield de renner Eddy Planckaert al van Frankrijk?
“Rust en ruimte. Dat interesseert mij al mijn hele leven. Reed ik vroeger in de Pyreneeën een col op en ik wist dat ik zonder probleem binnen tijd zou eindigen, liet ik mij altijd lossen. Eenmaal boven deed ik dan mijn armen open en zei ik tegen mezelf: ‘Hoe zalig is dat?’ Nog altijd ben ik zot van de Pyreneeën. Ik heb dat ooit aan mijn eigen beloofd. Een klein boerderijtje op 1.500 meter hoogte daar, een Frans klakske op mijn kop, huiswijn erbij. Dat was en is mijn idee. Christa weet dat. Binnenkort gaan we op reis in de Pyreneeën. De gasten hebben nu al schrik dat ik er iets ga kopen. Geen kasteel dan, maar zo’n vervallen hutje met een stoof om mij in de winter mee te verwarmen. Dat is meer dan genoeg voor mij.”
Maar voorlopig is het nog de Auvergne.
“Om dezelfde reden. Rust en ruimte. Zo zijn we hier ook terechtgekomen. Zoals ons vrouwen in de etalage naar kleren kijken, zoals Christopher naar een etalage, maar dan van bouwmateriaal kijkt, zo keek ik altijd naar de etalage van immobilières. En nóg. Ik zocht altijd naar boerderijen. Als je hier rondrijdt … Die grote boerderijen met honderd, tweehonderd, driehonderd hectare grond. Prachtig. Ik ging er sowieso een kopen. Totdat Junior hiermee afkwam. Hij had op de computer een kasteel met een afgebrand dak gevonden. Met zestig hectare grond, een oprijlaan van 700 meter, een vijver. Op de foto’s stond in een van de vertrekken bovendien een koersfiets. Ik dacht direct: miljaar, ook nog een koersliefhebber. Met de ganse familie zijn we dan gaan zien en twee weken later hadden we het aangekocht.”
Toen bekend raakte dat de Tour deze regio aandeed, werden artikels gemaakt over de zogenaamde ‘diagonal du vide’. De diagonaal van de leegte. Een rechte lijn door Frankrijk waar steeds minder mensen wonen.
“Leeg? Anders, zul je bedoelen. De mensen nemen hier nog de tijd. Maar is dat verkeerd? Hier drinken ze om zeven, acht uur ’s morgens een koffietje in het café. Met een pistachke erbij. Dat zie je in Vlaanderen niet, die gezelligheid. In Vlaanderen zijn we allemaal zo zot als een achterdeur. Veel te gehaast, veel te gestresseerd. Je leeft niet meer, je wordt geleefd. En maar druk op die schouders leggen. Den hof moet proper liggen, den auto mag niet vuil zijn … Man, man, man. Elke dag staan ze in Vlaanderen in de file. Hier moet je uitleggen wat een file is. ‘Allez, jong, auto’s in een rij? Dat kennen wij niet.’ Nee, ik zou het niet meer kunnen.”
“Mag den ouwe eens raad geven: ik snap niet dat niet meer mensen hier komen wonen. Moest ik wat miserie kennen, of niet te veel geld hebben, ik zou het wel weten. In Vlaanderen heb je tegenwoordig 200.000 euro nodig voor een bouwgrond. Hallo? Hier koop je een heel huis voor zeventig-, tachtigduizend euro. Voor 25 euro heb je in het restaurant drie gangen, enzovoort…”

Opschudding. En even wanen we ons helemaal in een scène van Château Planckaert. Falcon, de hond van Junior, trekt een sprintje over de lange oprijlaan richting straat, met een molenwiekende Christa achter hem aan. Maar Falcon is haar letterlijk te snel af. “Doeme”, horen we Eddy vloeken. “Ingrijpen.” En in blote bast, Christa naast hem op de passagierszetel, stuift hij met zijn 4×4 de oprijlaan af. Vier minuten later keren ze allemaal terug, een geamuseerde Falcon op de achterbank. “Sorry”, zegt Eddy. “Hij zat al op straat. Het is een jonge hond. Ik moet hem meer in de gaten houden. Bon, waar waren we gebleven?”