Elke Verberckmoes doet de deur open. Hartelijk. Ze zet thee. Maakt een grapje. Maar je ziet het. Het verdriet hangt als een zware mantel over haar heen. Het verdriet dat toeslaat wanneer het wil, waar het wil en hoe het wil. Vandaag heeft ze een goeie dag. “Ik werd wakker om vier uur, dat is vroeg, maar ik kan sinds de dood van Dean zo moeilijk slapen. Dan lig ik te piekeren. Over mijn zoontje. Over mijn mama die twee weken geleden is gestorven. Over hoe het nu verder moet. Maar ik ben redelijk opgestaan.” Elke probeert de routine erin te houden. Elke dag opstaan. Koffie drinken, sigaretje roken, zich wassen, wandelen met de hond, het huishouden, boodschappen doen. “Het is gek hoe ik soms nog thuis kom met chocomelk en bananen. Hij was daar verzot op.”
Het leven raast door. Het proces waar ze vijf jaar op moest wachten, is eindelijk voorbij. Dave De Kock kreeg dertig jaar cel. Zijn vriendin Romy W. werd vrijgesproken voor de ontvoering van Dean, maar wel schuldig verklaard aan het bezit van beelden van seksueel misbruik. Ze kreeg opschorting van straf onder probatievoorwaarden. Dat wringt bij Elke. “Ik ben het er niet mee eens. In mijn ogen is ze medeschuldig. Maar ik zal ermee moeten leren leven, anders vind ik geen rust.”
“Mama lag in het mortuarium in dezelfde kamer als Dean. Dat was heel confronterend. Ik zag haar liggen, maar ook direct weer mijn zoontje”
In de sofa zit Elkes vader, die bij haar inwoont sinds haar moeder naar het woonzorgcentrum moest. Ze overleed op de dag van de uitspraak. “Mama was zwaar dement. In haar kamer stond de televisie met het nieuws op. Toen het over de uitspraak ging, lag ze in foetushouding op haar ziekenhuisbed, met haar handen op haar oren. Ik denk dat ze het beseft heeft, of toch tenminste heeft gevoeld. Ze wachtte met sterven tot na de uitspraak, daar ben ik heilig van overtuigd. Ik heb er vrede mee dat ze is gegaan, maar ik mis haar. Ik heb me na de dood van mijn zoon op mijn ouders gestort. Ze hadden allebei zorg nodig. Mama lag in het mortuarium in dezelfde kamer als Dean. Dat was heel confronterend. Ik zag haar liggen, maar ook direct weer mijn zoontje.”
Ik vraag of hij mooi was, haar zoontje. Of hij vredig leek te slapen. Ze zucht. Ja en neen. Ze toont een foto van Dean op zijn sterfbed. Kinderhandjes boven een lakentje, maar met zijn hoofdje vol blauwe plekken. Toegetakeld door een razende. “Ik vind het zo moeilijk om te weten dat hij in zijn laatste momenten alleen was. Dat ik er niet kon zijn om hem te beschermen en dat hij zei dat hij naar zijn mama wou. Als ik kinderen hard hoor huilen, krimp ik ineen. Ik denk dan aan Dean. Hij moet ook gehuild hebben.” Elke wou hem in het mortuarium nog een laatste knuffel geven. Dat mocht. Ze toont foto’s van hoe ze hem vastneemt, zijn lichaam dicht tegen haar aan, met zijn hoofdje op haar schouder. Moeder en zoon.
“Hij was een donorkindje. Ik had al een dochter, maar ik wou zo graag nog een kind. Hij is er gekomen en hij was zo welkom. Hij was mijn oogappel.” Aan de muur hangen foto’s van Dean. In een kast staan houdertjes met teksten, bloemen en beeldjes die ze kreeg als steun. In een andere kast, in de hoek van de kamer, staat een urne. Niet die van Dean, maar van haar mama. “Die grijze auto voor de urne gaf Dean aan mij toen ik afscheid van hem nam, om in de psychiatrie opgenomen te worden.” Waarna Dave hem meenam, uiteindelijk doodde en niet meer terugbracht. “Ik wil het autootje pas terug hebben als we elkaar terugzien”, zei hij nog. “Ik zal je missen mama.”
Er is geen urne van Dean. De jongen ligt begraven op het kerkhof, om de hoek. “Je ziet het kerkhof vanuit zijn zus haar kamer”, zegt Elke. “Ik wil niet dat hij daar ligt, onder de aarde. Maar het moest van de rechtbank tot na het proces. Ik wil hem dicht bij mij hebben. Nu het proces achter de rug is, kan ik hem laten opgraven en laten cremeren. Dan zal mijn zoon hier zijn, als ik ga slapen en als ik wakker word, heel dicht bij mij.”
Ze neemt ons mee naar het graf. Ze wrijft even over het houten kruis met zijn naam op. “Dag mijn jongen”, zegt ze zacht. Elke verwijdert de bladeren en steekt een kaarsje aan. “1 november is zo’n lastige dag. Maar vooral de feestdagen ook. Met kerst zet ik hier een klein kerstboompje, met Pasen een paaskonijntje. Soms denk ik dat ik zijn stem hoor in de gang. Of dat hij gewoon op vakantie is en weer zal thuiskomen. Ik voel me ook vaak schuldig. Ik zat toen in een moeilijke periode, had nood aan de psychiatrie en dacht dat hij in goeie handen was. Ik kom moeilijk tot rust. Ik ben best een sterke vrouw, maar soms voel ik niets meer. Alsof het leeg is vanbinnen. ‘Doet het jou dan niets’, zeg ik dan verwijtend tegen mezelf. Maar dat is het niet. Soms ben je gewoon uitgehold en zijn er geen tranen meer. Als ik sterf, zal ik me ook laten cremeren en dan zijn we weer samen, in één urne.”
Elke heeft een hanger rond haar nek. Met daarin de haartjes van haar zoontje gesmeed. “Mama had er ook eentje, ik heb dat nu in de kast gelegd. Joanna, mijn dochter van bijna twaalf, krijgt het later, als ze de dingen wat beter bij kan houden. Nu durft ze nogal veel te verliezen.” Elke lacht. Dat doet ze af en toe. Ze is een toffe vrouw, recht voor de raap. “Ik lach soms de dingen weg, dat houdt me recht. Ik was ook geen prater. Maar door in therapie te gaan, heb ik geleerd om mijn emoties te uiten.”
Weer thuis toont ze zijn kamer. Het bed staat er nog, met aan de zijkant een bedhekje zodat hij niet uit zijn bed zou vallen. “Zijn donsdeken had ik meegegeven om bij Dave te slapen. Dat is nog altijd bij de politie. Net als de kleren die hij die dag aanhad. Die zitten in plastic zakjes, ik hoop dat ik zijn geur nog kan ruiken als ik die weer heb.” Op zijn bed zitten beertjes flink naast elkaar. Op de kast speeltjes die je uit kindersurprises haalt. “Vroeger rook ik hem ook hier, maar die geur is weg.”
Troost. Die zoekt ze en vindt ze ook. In haar dochter die een mooie tekening heeft gemaakt. “Ze heeft talent, ze kan heel mooi draken tekenen. Ik weet dat ze het heel moeilijk heeft gehad met de dood, met het proces. Ze wil altijd dicht bij mij zijn, we hebben gelukkig een heel goeie band.” Troost vindt ze ook bij vrienden. “Dat zijn er niet zoveel. Als je rouwt, leer je je echte vrienden kennen en je maakt ook nieuwe vrienden.” Soms vindt ze het ook gewoon in haar telefoon. “Dat is op aanraden van de psychologe. Als ik niet wil denken, kijk ik naar stomme filmpjes op Tiktok, van mensen die tortilla’s tegen elkaars gezicht kletsen.”
“Ik ben best een sterke vrouw, maar soms voel ik niets meer. Alsof het leeg is vanbinnen”
Wat ze nog wil? In het leven blijven staan, want dat is niet altijd zo geweest. Elke wou er twee jaar geleden niet meer zijn. “Nu besef ik dat ik dat niet mag doen, dat mijn dochter mij nodig heeft. Ik wil er altijd voor haar zijn.” En misschien zou ze wel een nieuwe liefde willen. “Niet meer alleen zijn, dat zou fijn zijn.” En voor de rest? Leven met het verdriet. “Het gaat niet om verdriet een plekje geven. Het gaat om met verdriet omgaan. Elke dag opnieuw.”