
Twee Kempense wandelaars die in september 1992 spoorloos verdwenen tijdens een bergtocht in de Zwitserse Alpen, zijn wellicht teruggevonden. Het smeltende ijs van de Triftgletsjer legde hun stoffelijke resten bloot. Een DNA-onderzoek moet de identificatie nog bevestigen, maar er zijn sterke aanwijzingen dat het om hen gaat.
De stoffelijke resten werden na 34 jaar teruggevonden op de Triftgletsjer in de Zwitsere Alpen.
De stoffelijke overschotten werden aangetroffen op de Triftgletsjer, nabij het Zwitserse Saas-Grund. Bij de resten lagen ook identificatiepapieren die in de richting van de twee vermiste Kempenaars wijzen. Familieleden stonden intussen DNA-stalen af. Pas als dat onderzoek is afgerond, kunnen de lichamen officieel worden geïdentificeerd en vrijgegeven.
Krijg een melding bij belangrijk nieuws over In het nieuws.
Momenteel heeft u geen permissie gegeven om notificaties te ontvangen. Klik hier voor een popup met meer informatie.
De twee mannen vertrokken op vrijdag 4 september 1992 vanuit de Weissmieshütte, op 2.726 meter hoogte, in de richting van de Almagellerhütte. Hun geplande route liep over de top van de Weissmies, een berg van 4.017 meter. Onderweg kregen ze te maken met bijzonder slecht weer. Hun bestemming bereikten ze nooit.
Grootschalige zoekactie
In de maanden na hun verdwijning werd meermaals naar de wandelaars gezocht, aanvankelijk met helikopters. Daarbij werd wel een klimrugzak gevonden, maar van de mannen zelf ontbrak elk spoor. Ook een grootschalige zoekactie in 1994, met een Belgisch team, bleef zonder resultaat.
Dat de resten nu pas opdoken, heeft volgens Gerry Van Loock van de Cel Vermiste Personen alles te maken met de warme zomer. Dat zegt hij aan VRT NWS. Doordat de gletsjer zich terugtrok, kwam een deel van het ijs vrij te liggen en werd het gebied toegankelijker. Zo kwamen de stoffelijke resten bloot te liggen.
Goedbewaarde documenten
De Zwitserse politie nam vorige maand contact op met de Belgische speurders. Wanneer buitenlandse diensten menselijke resten aantreffen, vragen ze de Cel om die te vergelijken met openstaande dossiers. Dat de identificatiepapieren na 34 jaar bewaard bleven, is volgens de dienst niet uitzonderlijk. Het hangt af van de omstandigheden waarin documenten achterblijven.
Voor de speurders weegt vooral dat de nabestaanden na al die jaren duidelijkheid krijgen. “Een slecht antwoord is nog altijd beter dan geen antwoord”, zegt Van Loock.